zondag 6 juli 2014

Week 28 - Goed bezig

Zalig die slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.
HSV

Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt.
NBV

Mattheüs 24: 46


Het is een heel lang stuk geworden, maar de tekst luidt: ‘Zalig die slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden/Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt’ en dan is het noodzaak om te gaan kijken naar wat dat handelen, dat daarmee bezig zijn dan inhoudt.
We kunnen ons richten op het ‘ja, kom spoedig, Heer, daar verlang ik zo naar’, maar Gods woord wijst ons er juist op wat wij dienen te doen tot het zover is en hoe belangrijk dat is.
En daarvoor zullen we ons moeten (blijven) verdiepen in Zijn woord.


‘Als ik wist dat de wereld morgen vergaat, dan zou ik vandaag een boom planten.’
Maarten Luther

Aan dit citaat moest ik denken bij het thema van deze week en wat erop het kalendertje geschreven staat.
(En daarin was ik niet de enige schijnbaar, want op de achterkant van de bladzijde stond precies hetzelfde citaat)
Ik denk dat dit citaat, deze uitspraak van Luther precies weergeeft wat de Bijbeltekst bedoelt.
Bezig zijn met de dingen die God aangeeft in Zijn woord en daarmee doorgaan tot Hij op het moment van de terugkomst van de Here Jezus.

Matthew Henri zegt over de bovenstaande Bijbeltekst dat deze waarschijnlijk is bedoeld voor leraars gezien het vorige vers(45):
Wie is dus de betrouwbare en verstandige dienaar die de heer heeft aangesteld over zijn huishouden om hun op tijd het voedsel te geven? (NB)
En hij gaat dan verder over plaats en ambt.
Zelf wil ik deze kant niet opgaan, want er wordt vanuit vers 45 ook verwezen naar Mattheüs 25:14-30, waar Jezus de gelijkenis over de talenten verteld en ook op de Bijbelgedeelten die er deze week bij gegeven zijn, laten ons zien, dat ieder kind van God verantwoording heeft over zijn of haar leven om te doen datgene wat Jezus (en de rest van de Bijbel) ons leert.
Als we zouden blijven steken bij ‘het is voor leraars’, dan zouden velen van ons zich waarschijnlijk excuseren met ‘het was toch niet voor mij’.
God heeft Zijn woord gegeven aan een ieder van ons persoonlijk om daarvan te leren en daarnaar te leven, en niet alleen voor bepaalde mensen.
Het citaat van Luther moedigt ons aan om Gods woord in praktijk te brengen tot het allerlaatste moment en de gegeven Bijbeltekst kunnen we zien als een bevestiging hierop.
Het brengt mij dan automatisch bij de gegeven Bijbelgedeelten: Mattheüs 5,6 en 1 Tessalonicenzen 5.
Mattheüs 5 en 6 zijn een gedeelte uit de Bergrede (de toespraak/onderwijzing van Jezus vanaf een berg) en 1 in 1 Tessalonicenzen 5 neemt Paulus ons mee in de voorbereiding op de terugkomst van de Here Jezus.

Als ik bij Mattheüs 5 begin, dringt het ineens tot me door hoe bijzonder eigenlijk het begin van Zijn onderwijzing is.

Jezus begint met wat in christelijk termen de ‘zaligsprekingen’ wordt genoemd.

‘Zalig de armen van geest, 
want van hen is 
het koninkrijk der hemelen;

zalig wie treuren, 
want zij zullen worden getroost;

zalig de zachtmoedigen, 
want zij zullen de aarde beërven;

zalig wie hongeren en dorsten 
naar de gerechtigheid, 
want zij zullen worden verzadigd;

zalig de barmhartigen, (- ook wel vertaald met medelijden hebben, synoniem is ook genadig)
want zij zullen erbarming ondervinden,

zalig de reinen van hart, 
want zij zullen God zien;

zalig wie vrede sluiten, 
want zij zullen zonen van God 
genoemd worden;

zalig wie worden vervolgd 
vanwege een rechtvaardige zaak, 
want van hen is 
het koninkrijk der hemelen;

zalig zijt ge 
wanneer ze u zullen beschimpen 
en vervolgen en 
al wat boos is 
zullen zeggen, 
tegen u vals getuigend vanwege mij;

verheugt u en jubelt, 
want in de hemelen 
is uw loon groot; 
zó immers hebben ze 
de profeten vóór u vervolgd!

De Here Jezus laat ons zien dat Hij weet heeft van alles wat er in de wereld en daarmee in ons leven speelt, gebeurt, of gebeuren kan, en Hij bemoedigd ons tegelijk door ons te laten zien wat er tegenover al deze dingen staat.
En dan gaat Hij door met het ons laten zien wie wij zijn en hoe onze handel en wandel hoort te zijn.
Jezus verteld ons dat wij het zout van de aarde zijn en het licht van de wereld.
Hij spreekt over het feit dat Hij gekomen is om de wet en de profeten te vervullen en niet om ze af te schaffen.
De geboden ‘Gij zult niet doden’ en ‘Gij zult niet echtbreken’, krijgen een heel andere dimensie, zo ook het zweren of een eed afleggen, en de uitdrukking oog om oog, tand om tand’.
Jezus zegt ons de andere wang toe te keren, naast het hemd ook de jas te geven, twee mijl mee te lopen in plaats van die gevraagde ene mijl.
Niet te haten, maar lief te hebben, goed te doen, te bidden en te zegenen.
Hij vraagt van ons dat we volmaakt zullen zijn zoals de Vader volmaakt is.

Mattheüs 6:
Jezus wijst ons erop dat we de dingen die we doen, niet doen voor mensen, om op te vallen, maar tot eer van Hem.
God zal belonen wat we in het verborgene doen!
En dit geldt ook voor ons bidden:

…, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden …

Als u bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want zij denken dat zij door de veelheid van hun woorden verhoord zullen worden.’

Hij leert ons het gebed: ‘Onze Vader, Die in de hemel is …’
En ook het vasten neemt Hij onder de loep en verteld ons de juiste wijze waarop.

Hij spoort ons aan om geen schatten op aarde te verzamelen, maar schatten in de hemel.
Hij laat ons zien, dat waar onze schat is, daar ook ons hart is.

Hij houdt ons voor dat het oog de lamp is van het lichaam.
Is het oog helder, zegt Hij, dan is het hele lichaam verlicht, maar is het oog boosaardig, dan is het hele lichaam duister.
(wat hebben we voor ogen, waar zijn  we op gericht: God of onszelf?)

Jezus verteld ons dat we onmogelijk twee heren kunnen dienen, je kunt niet beiden liefhebben.

Jezus zegt ons dat we niet bezorgd moeten zijn over ons leven, over wat we eten of drinken zullen of waarmee we ons zullen kleden, want dat de Vader precies weet wat we nodig hebben.

‘Kijk naar de vogels in de lucht: …
 Kijk naar de lelies in het veld, …’

Uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u ze niet ver te boven?
Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?
Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, klein gelovigen?

Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt.’

En Hij spoort ons aan om boven alles toch eerst het koninkrijk van God te zoeken, en Zijn gerechtigheid en al het andere zal ons gegeven worden (opnieuw, waar is ons hart op gericht? Wat zoeken wij in dit leven?); om ons geen zorgen te maken over morgen: ‘…, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’

Hoofdstuk 7 wordt er niet bijgegeven op de kalender, maar voor mijzelf neem ik hem mee om het compleet te maken.

‘Oordeel niet,’ zegt Jezus aan het begin van hoofdstuk 7, ‘Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt; want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult uzelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.' 
En Hij gaat verder over de bekende splinter en de balk.

Jezus zegt ons ook: ‘Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren.’
De Matthew Henri zegt hierover: ‘Niet iedereen is geschikt om berispt te worden. Onze ijver tegen de zonde moet geleid worden door voorzichtigheid.
… Werp een parel voor een zwijn en hij zal er kwaad om worden, alsof u een steen naar hem gooit. Geef daarom geen heilige dingen aan de honden en de zwijnen (onreine schepsels). Goede raad en berisping zijn heilige dingen en parels, ze zijn ordinantiën (verordeningen/instellingen) van God. Onze Heere Jezus is zeer teder voor de veiligheid van Zijn volk. hij wil niet dat zij zich onnodig blootstellen aan de woede van hen, die, zich omkerende, hen verscheuren’

Jezus spoort ons aan om te vragen, te zoeken en te kloppen, want we zullen ontvangen, we zullen vinden en er zal worden opengedaan.
In onze slechtheid weten wij goede dingen te geven aan onze kinderen, hoeveel te meer niet zal onze Vader in de hemel dit doen aan degenen die Hem vragen!
En in één adem er achteraan zegt Hij dat we anderen zo moeten behandelen als we zelf behandeld willen worden; want dat is wat de wet en de profeten ons leren.

Jezus spreekt ook over de nauwe en de brede poort; over dat de weg naar de ondergang ruim en breed is, maar dat de poort en de weg die naar het leven leiden nauw en smal is, en maar door weinigen te vinden is.

Hij waarschuwt ons voor valse profeten, wolven in schaapskleren, die zullen komen en Hij verteld ons waaraan we hen kunnen herkennen, namelijk aan hun vruchten:
‘Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels?
Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort.’
En Hij zegt ons heel duidelijk, dat niet iedereen die tegen Hem zegt ‘Here, Here’, het hemels koninkrijk zal binnengaan, maar alleen zij die de wil doet van God, Zijn Vader.'

Jezus eindigt zijn onderwijs met het hele bekende voorbeeld van het huis op de rots en op het zand.
Alleen zij die Zijn woorden horen en doen, zijn als het huis dat op de rots is gebouwd.

De mensen die Jezus woorden gehoord hadden waren diep onder de indruk van wat Hij hen had geleerd, want Hij had met gezag gesproken, zo heel anders dan hun schriftgeleerden.
Hoe is dat met ons?
Zijn wij ook diep onder de indruk van wat Jezus ons hier leert?
Wat doen Zijn woorden met ons?
Lezen we ze en leggen we ze vervolgens weer naast ons neer, of nemen we ze mee in ons hart en overdenken we ze en proberen we ze in praktijk te brengen?

‘Zalig die slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.’

De tekst voor deze week geeft aan hoe belangrijk het is om niet alleen Zijn woorden te horen, maar ook om ze in praktijk te brengen, en dan niet voor een bepaalde tijd, maar iedere dag van ons leven tot Hij ons thuishaalt of Hij terugkomt.

Het is veel en nauwelijks allemaal te onthouden in één keer; het laat ons dus tegelijk zien hoe belangrijk het is om Gods woord keer op keer op keer te lezen en te overdenken.
Om dingen uit je hoofd te leren, op te zoeken, samen te praten over en naar Zijn huis te gaan.
Voor mijzelf werkt opschrijven heel goed, vandaar dat ik het hier ook allemaal heb opgeschreven/opschrijf, want ook 1 Thessalonicenzen 5 wil ik op deze wijze uitwerken, om het allemaal beter te kunnen onthouden.
Ook de woorden van Paulus zijn een stuk onderwijs van God aan ons.
En dit hoofdstuk in het bijzonder omdat het gaat over het hoe wij ons leven dienen te leven in het licht van de terugkomst van de Here Jezus.

In de tijd die achter ons ligt, zijn er al velen geweest die hebben voorspeld wanneer de wereld zou vergaan; wanneer de Here Jezus terug zou komen.
Gezien Paulus schrijven, werd er in Zijn tijd ook al over gesproken, maar Paulus geeft hier opnieuw heel duidelijk aan (wat in Mattheüs 24 ook al staat) dat Jezus terugkomt als een dief in de nacht.
Niemand weet het moment, het uur waarop Hij terug zal komen.
Hij vergelijkt de ondergang van de goddelozen met de weeën van een zwangere vrouw; plotseling en geen ontkomen meer aan.
Maar voor ons, kinderen van het licht (Efeze 5:8), is het anders zegt Paulus en hij spoort ons dan ook aan om niet te slapen, maar om waakzaam en nuchter te zijn.
We dienen ons voor te bereiden op Zijn komst door te leven zoals Hij het van ons vraagt.

In Romeinen 13 :11,13 zegt Paulus:
‘Laten wij, als op klaarlichte dag,
op een gepaste wijze wandelen (Filippenzen 4:8),
niet in zwelgpartijen, niet in dronkenschappen, (Lucas 21:34),
niet in slaapkamers en losbandigheden (Efeze 5:5; 1 Korinthe 6:10),
niet in ruzie en afgunst (Jacobus 3:14).

Paulus spoort ons aan om nuchter te zijn en ons de kleden met de wapenrusting. (Efeze 6:10-18)
Want God heeft ons immers voorbestemd om deel te hebben aan de redding door de Here Jezus.
Hij is voor ons gestorven, opdat wij samen met Hem zouden leven.
En daarom dienen we elkaar ook te bemoedigen en te ondersteunen; de ander op te bouwen.

Voordat Paulus groet en zijn brief aan de Thessalonicenzen afsluit, geeft hij nog enkele aanwijzingen, dingen waarop we moeten letten, in acht moeten nemen.
Ik zet ze even op een rijtje:

We dienen waardering, hoogachting te hebben voor hen zich voor ons inzetten, ons leiding geven en terechtwijzen in de Heere; hen meer dan gewone liefde toe te dragen om het werk dat zij doen.
We dienen met elkaar in vrede leven.

Zij die ordeloos leven, dienen terechtgewezen te worden, de moedelozen dienen te worden bemoedigd, de zwakken ondersteunt en geduld te hebben met een ieder.

We dienen geen kwaad met kwaad te vergeleden, maar altijd het goede na te jagen voor elkaar en voor allen.

We dienen ons te verblijden.

We dienen te bidden zonder ophouden.

We dienen God te danken in alle omstandigheden, want dat is de wil van God in Christus voor ons.

We dienen het vuur van de Geest niet te doven.

Profetische woorden niet te minachten.

Alle dingen te beproeven, te onderzoeken, maar het goede behouden.

En ons te onthouden van allerlei kwaad.

Paulus eindigt met de prachtige woorden:
‘En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen, en mogen uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus Christus.
Hij Die u roept, is getrouw: Hij zal het ook doen.

De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen.’

Vanuit onszelf zullen we niet in staat zijn om al deze dingen in praktijk te brengen, maar met Zijn hulp, met de hulp van Zijn Geest zullen we wel in staat zijn om het te blijven proberen en ons er naar te blijven uit te strekken.
God is trouw, Hij zal ons helpen; het is aan ons om te kiezen hoe wij willen leven.

Eén ding is zeker, als wij ons richten op Hem, op Zijn wil en daarnaar leven, wandelen en handelen, en Hij treft ons zo aan bij Zijn terugkomst of als Hij ons thuisroept, dan zullen we de volgende woorden horen:
‘Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.’
Mattheüs 25:21,23


Lieve Vader in de hemel.
Wat zie ik er naar uit dat U deze woorden tegen mij zult zeggen.
Wat verlang ik ernaar om deze woorden te horen.
Dank U wel, dat ik mag weten dat U trouw bent, en dat, hoeveel en hoe vaak ik ook val, ik altijd bij U terug mag komen en het opnieuw mag proberen.
Dank U wel, Heer Jezus, voor Uw volbrachte werk, voor uw offer, voor uw leven dat U hebt gegeven voor mij, waardoor dit allemaal mogelijk is.
Help mij, Heer, om te leven naar Uw wil.
Help mij om dicht bij U te blijven, al de dagen van mijn leven en laat mij waakzaam zijn tot het einde toe.

In Jezus’ Naam.

- Amen -


Ik geef U mijzelf

Ik geef U mijn plannen,
ik geef U mijn tijd.
Ik verlang ernaar dat U mij
op al mijn wegen leidt.

Ik wil leven naar Uw wil,
ik wil leven naar Uw woord.
Het is mijn antwoord op Uw handen,
die voor mij werden doorboord.

Ik wil gaan waar U mij zend,
ik wil doen wat U mij vraagt.
Het is mijn antwoord op Uw liefde,
die mij door dit leven draagt.

Ik geef U mijzelf,
U ben ik toegewijd.
Werk Uw wil uit in mijn leven
tot ik kom in Uw eeuwigheid.

- Amen -


Gods rijke zegen voor de komende week
en een liefdevolle groet,




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen