Posts tonen met het label inzicht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label inzicht. Alle posts tonen

zondag 6 juli 2014

Week 28 - Goed bezig

Zalig die slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.
HSV

Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt.
NBV

Mattheüs 24: 46


Het is een heel lang stuk geworden, maar de tekst luidt: ‘Zalig die slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden/Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt’ en dan is het noodzaak om te gaan kijken naar wat dat handelen, dat daarmee bezig zijn dan inhoudt.
We kunnen ons richten op het ‘ja, kom spoedig, Heer, daar verlang ik zo naar’, maar Gods woord wijst ons er juist op wat wij dienen te doen tot het zover is en hoe belangrijk dat is.
En daarvoor zullen we ons moeten (blijven) verdiepen in Zijn woord.


‘Als ik wist dat de wereld morgen vergaat, dan zou ik vandaag een boom planten.’
Maarten Luther

Aan dit citaat moest ik denken bij het thema van deze week en wat erop het kalendertje geschreven staat.
(En daarin was ik niet de enige schijnbaar, want op de achterkant van de bladzijde stond precies hetzelfde citaat)
Ik denk dat dit citaat, deze uitspraak van Luther precies weergeeft wat de Bijbeltekst bedoelt.
Bezig zijn met de dingen die God aangeeft in Zijn woord en daarmee doorgaan tot Hij op het moment van de terugkomst van de Here Jezus.

Matthew Henri zegt over de bovenstaande Bijbeltekst dat deze waarschijnlijk is bedoeld voor leraars gezien het vorige vers(45):
Wie is dus de betrouwbare en verstandige dienaar die de heer heeft aangesteld over zijn huishouden om hun op tijd het voedsel te geven? (NB)
En hij gaat dan verder over plaats en ambt.
Zelf wil ik deze kant niet opgaan, want er wordt vanuit vers 45 ook verwezen naar Mattheüs 25:14-30, waar Jezus de gelijkenis over de talenten verteld en ook op de Bijbelgedeelten die er deze week bij gegeven zijn, laten ons zien, dat ieder kind van God verantwoording heeft over zijn of haar leven om te doen datgene wat Jezus (en de rest van de Bijbel) ons leert.
Als we zouden blijven steken bij ‘het is voor leraars’, dan zouden velen van ons zich waarschijnlijk excuseren met ‘het was toch niet voor mij’.
God heeft Zijn woord gegeven aan een ieder van ons persoonlijk om daarvan te leren en daarnaar te leven, en niet alleen voor bepaalde mensen.
Het citaat van Luther moedigt ons aan om Gods woord in praktijk te brengen tot het allerlaatste moment en de gegeven Bijbeltekst kunnen we zien als een bevestiging hierop.
Het brengt mij dan automatisch bij de gegeven Bijbelgedeelten: Mattheüs 5,6 en 1 Tessalonicenzen 5.
Mattheüs 5 en 6 zijn een gedeelte uit de Bergrede (de toespraak/onderwijzing van Jezus vanaf een berg) en 1 in 1 Tessalonicenzen 5 neemt Paulus ons mee in de voorbereiding op de terugkomst van de Here Jezus.

Als ik bij Mattheüs 5 begin, dringt het ineens tot me door hoe bijzonder eigenlijk het begin van Zijn onderwijzing is.

Jezus begint met wat in christelijk termen de ‘zaligsprekingen’ wordt genoemd.

‘Zalig de armen van geest, 
want van hen is 
het koninkrijk der hemelen;

zalig wie treuren, 
want zij zullen worden getroost;

zalig de zachtmoedigen, 
want zij zullen de aarde beërven;

zalig wie hongeren en dorsten 
naar de gerechtigheid, 
want zij zullen worden verzadigd;

zalig de barmhartigen, (- ook wel vertaald met medelijden hebben, synoniem is ook genadig)
want zij zullen erbarming ondervinden,

zalig de reinen van hart, 
want zij zullen God zien;

zalig wie vrede sluiten, 
want zij zullen zonen van God 
genoemd worden;

zalig wie worden vervolgd 
vanwege een rechtvaardige zaak, 
want van hen is 
het koninkrijk der hemelen;

zalig zijt ge 
wanneer ze u zullen beschimpen 
en vervolgen en 
al wat boos is 
zullen zeggen, 
tegen u vals getuigend vanwege mij;

verheugt u en jubelt, 
want in de hemelen 
is uw loon groot; 
zó immers hebben ze 
de profeten vóór u vervolgd!

De Here Jezus laat ons zien dat Hij weet heeft van alles wat er in de wereld en daarmee in ons leven speelt, gebeurt, of gebeuren kan, en Hij bemoedigd ons tegelijk door ons te laten zien wat er tegenover al deze dingen staat.
En dan gaat Hij door met het ons laten zien wie wij zijn en hoe onze handel en wandel hoort te zijn.
Jezus verteld ons dat wij het zout van de aarde zijn en het licht van de wereld.
Hij spreekt over het feit dat Hij gekomen is om de wet en de profeten te vervullen en niet om ze af te schaffen.
De geboden ‘Gij zult niet doden’ en ‘Gij zult niet echtbreken’, krijgen een heel andere dimensie, zo ook het zweren of een eed afleggen, en de uitdrukking oog om oog, tand om tand’.
Jezus zegt ons de andere wang toe te keren, naast het hemd ook de jas te geven, twee mijl mee te lopen in plaats van die gevraagde ene mijl.
Niet te haten, maar lief te hebben, goed te doen, te bidden en te zegenen.
Hij vraagt van ons dat we volmaakt zullen zijn zoals de Vader volmaakt is.

Mattheüs 6:
Jezus wijst ons erop dat we de dingen die we doen, niet doen voor mensen, om op te vallen, maar tot eer van Hem.
God zal belonen wat we in het verborgene doen!
En dit geldt ook voor ons bidden:

…, ga in uw binnenkamer, sluit uw deur en bid tot uw Vader, Die in het verborgene is; en uw Vader, Die in het verborgene ziet, zal het u in het openbaar vergelden …

Als u bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want zij denken dat zij door de veelheid van hun woorden verhoord zullen worden.’

Hij leert ons het gebed: ‘Onze Vader, Die in de hemel is …’
En ook het vasten neemt Hij onder de loep en verteld ons de juiste wijze waarop.

Hij spoort ons aan om geen schatten op aarde te verzamelen, maar schatten in de hemel.
Hij laat ons zien, dat waar onze schat is, daar ook ons hart is.

Hij houdt ons voor dat het oog de lamp is van het lichaam.
Is het oog helder, zegt Hij, dan is het hele lichaam verlicht, maar is het oog boosaardig, dan is het hele lichaam duister.
(wat hebben we voor ogen, waar zijn  we op gericht: God of onszelf?)

Jezus verteld ons dat we onmogelijk twee heren kunnen dienen, je kunt niet beiden liefhebben.

Jezus zegt ons dat we niet bezorgd moeten zijn over ons leven, over wat we eten of drinken zullen of waarmee we ons zullen kleden, want dat de Vader precies weet wat we nodig hebben.

‘Kijk naar de vogels in de lucht: …
 Kijk naar de lelies in het veld, …’

Uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u ze niet ver te boven?
Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?
Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, klein gelovigen?

Uw hemelse Vader weet immers dat u al deze dingen nodig hebt.’

En Hij spoort ons aan om boven alles toch eerst het koninkrijk van God te zoeken, en Zijn gerechtigheid en al het andere zal ons gegeven worden (opnieuw, waar is ons hart op gericht? Wat zoeken wij in dit leven?); om ons geen zorgen te maken over morgen: ‘…, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.’

Hoofdstuk 7 wordt er niet bijgegeven op de kalender, maar voor mijzelf neem ik hem mee om het compleet te maken.

‘Oordeel niet,’ zegt Jezus aan het begin van hoofdstuk 7, ‘Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld wordt; want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult uzelf geoordeeld worden; en met welke maat u meet, zal er bij u ook gemeten worden.' 
En Hij gaat verder over de bekende splinter en de balk.

Jezus zegt ons ook: ‘Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren.’
De Matthew Henri zegt hierover: ‘Niet iedereen is geschikt om berispt te worden. Onze ijver tegen de zonde moet geleid worden door voorzichtigheid.
… Werp een parel voor een zwijn en hij zal er kwaad om worden, alsof u een steen naar hem gooit. Geef daarom geen heilige dingen aan de honden en de zwijnen (onreine schepsels). Goede raad en berisping zijn heilige dingen en parels, ze zijn ordinantiën (verordeningen/instellingen) van God. Onze Heere Jezus is zeer teder voor de veiligheid van Zijn volk. hij wil niet dat zij zich onnodig blootstellen aan de woede van hen, die, zich omkerende, hen verscheuren’

Jezus spoort ons aan om te vragen, te zoeken en te kloppen, want we zullen ontvangen, we zullen vinden en er zal worden opengedaan.
In onze slechtheid weten wij goede dingen te geven aan onze kinderen, hoeveel te meer niet zal onze Vader in de hemel dit doen aan degenen die Hem vragen!
En in één adem er achteraan zegt Hij dat we anderen zo moeten behandelen als we zelf behandeld willen worden; want dat is wat de wet en de profeten ons leren.

Jezus spreekt ook over de nauwe en de brede poort; over dat de weg naar de ondergang ruim en breed is, maar dat de poort en de weg die naar het leven leiden nauw en smal is, en maar door weinigen te vinden is.

Hij waarschuwt ons voor valse profeten, wolven in schaapskleren, die zullen komen en Hij verteld ons waaraan we hen kunnen herkennen, namelijk aan hun vruchten:
‘Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels?
Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort.’
En Hij zegt ons heel duidelijk, dat niet iedereen die tegen Hem zegt ‘Here, Here’, het hemels koninkrijk zal binnengaan, maar alleen zij die de wil doet van God, Zijn Vader.'

Jezus eindigt zijn onderwijs met het hele bekende voorbeeld van het huis op de rots en op het zand.
Alleen zij die Zijn woorden horen en doen, zijn als het huis dat op de rots is gebouwd.

De mensen die Jezus woorden gehoord hadden waren diep onder de indruk van wat Hij hen had geleerd, want Hij had met gezag gesproken, zo heel anders dan hun schriftgeleerden.
Hoe is dat met ons?
Zijn wij ook diep onder de indruk van wat Jezus ons hier leert?
Wat doen Zijn woorden met ons?
Lezen we ze en leggen we ze vervolgens weer naast ons neer, of nemen we ze mee in ons hart en overdenken we ze en proberen we ze in praktijk te brengen?

‘Zalig die slaaf die door zijn heer bij zijn komst zo handelend aangetroffen zal worden.’

De tekst voor deze week geeft aan hoe belangrijk het is om niet alleen Zijn woorden te horen, maar ook om ze in praktijk te brengen, en dan niet voor een bepaalde tijd, maar iedere dag van ons leven tot Hij ons thuishaalt of Hij terugkomt.

Het is veel en nauwelijks allemaal te onthouden in één keer; het laat ons dus tegelijk zien hoe belangrijk het is om Gods woord keer op keer op keer te lezen en te overdenken.
Om dingen uit je hoofd te leren, op te zoeken, samen te praten over en naar Zijn huis te gaan.
Voor mijzelf werkt opschrijven heel goed, vandaar dat ik het hier ook allemaal heb opgeschreven/opschrijf, want ook 1 Thessalonicenzen 5 wil ik op deze wijze uitwerken, om het allemaal beter te kunnen onthouden.
Ook de woorden van Paulus zijn een stuk onderwijs van God aan ons.
En dit hoofdstuk in het bijzonder omdat het gaat over het hoe wij ons leven dienen te leven in het licht van de terugkomst van de Here Jezus.

In de tijd die achter ons ligt, zijn er al velen geweest die hebben voorspeld wanneer de wereld zou vergaan; wanneer de Here Jezus terug zou komen.
Gezien Paulus schrijven, werd er in Zijn tijd ook al over gesproken, maar Paulus geeft hier opnieuw heel duidelijk aan (wat in Mattheüs 24 ook al staat) dat Jezus terugkomt als een dief in de nacht.
Niemand weet het moment, het uur waarop Hij terug zal komen.
Hij vergelijkt de ondergang van de goddelozen met de weeën van een zwangere vrouw; plotseling en geen ontkomen meer aan.
Maar voor ons, kinderen van het licht (Efeze 5:8), is het anders zegt Paulus en hij spoort ons dan ook aan om niet te slapen, maar om waakzaam en nuchter te zijn.
We dienen ons voor te bereiden op Zijn komst door te leven zoals Hij het van ons vraagt.

In Romeinen 13 :11,13 zegt Paulus:
‘Laten wij, als op klaarlichte dag,
op een gepaste wijze wandelen (Filippenzen 4:8),
niet in zwelgpartijen, niet in dronkenschappen, (Lucas 21:34),
niet in slaapkamers en losbandigheden (Efeze 5:5; 1 Korinthe 6:10),
niet in ruzie en afgunst (Jacobus 3:14).

Paulus spoort ons aan om nuchter te zijn en ons de kleden met de wapenrusting. (Efeze 6:10-18)
Want God heeft ons immers voorbestemd om deel te hebben aan de redding door de Here Jezus.
Hij is voor ons gestorven, opdat wij samen met Hem zouden leven.
En daarom dienen we elkaar ook te bemoedigen en te ondersteunen; de ander op te bouwen.

Voordat Paulus groet en zijn brief aan de Thessalonicenzen afsluit, geeft hij nog enkele aanwijzingen, dingen waarop we moeten letten, in acht moeten nemen.
Ik zet ze even op een rijtje:

We dienen waardering, hoogachting te hebben voor hen zich voor ons inzetten, ons leiding geven en terechtwijzen in de Heere; hen meer dan gewone liefde toe te dragen om het werk dat zij doen.
We dienen met elkaar in vrede leven.

Zij die ordeloos leven, dienen terechtgewezen te worden, de moedelozen dienen te worden bemoedigd, de zwakken ondersteunt en geduld te hebben met een ieder.

We dienen geen kwaad met kwaad te vergeleden, maar altijd het goede na te jagen voor elkaar en voor allen.

We dienen ons te verblijden.

We dienen te bidden zonder ophouden.

We dienen God te danken in alle omstandigheden, want dat is de wil van God in Christus voor ons.

We dienen het vuur van de Geest niet te doven.

Profetische woorden niet te minachten.

Alle dingen te beproeven, te onderzoeken, maar het goede behouden.

En ons te onthouden van allerlei kwaad.

Paulus eindigt met de prachtige woorden:
‘En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen, en mogen uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus Christus.
Hij Die u roept, is getrouw: Hij zal het ook doen.

De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen.’

Vanuit onszelf zullen we niet in staat zijn om al deze dingen in praktijk te brengen, maar met Zijn hulp, met de hulp van Zijn Geest zullen we wel in staat zijn om het te blijven proberen en ons er naar te blijven uit te strekken.
God is trouw, Hij zal ons helpen; het is aan ons om te kiezen hoe wij willen leven.

Eén ding is zeker, als wij ons richten op Hem, op Zijn wil en daarnaar leven, wandelen en handelen, en Hij treft ons zo aan bij Zijn terugkomst of als Hij ons thuisroept, dan zullen we de volgende woorden horen:
‘Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.’
Mattheüs 25:21,23


Lieve Vader in de hemel.
Wat zie ik er naar uit dat U deze woorden tegen mij zult zeggen.
Wat verlang ik ernaar om deze woorden te horen.
Dank U wel, dat ik mag weten dat U trouw bent, en dat, hoeveel en hoe vaak ik ook val, ik altijd bij U terug mag komen en het opnieuw mag proberen.
Dank U wel, Heer Jezus, voor Uw volbrachte werk, voor uw offer, voor uw leven dat U hebt gegeven voor mij, waardoor dit allemaal mogelijk is.
Help mij, Heer, om te leven naar Uw wil.
Help mij om dicht bij U te blijven, al de dagen van mijn leven en laat mij waakzaam zijn tot het einde toe.

In Jezus’ Naam.

- Amen -


Ik geef U mijzelf

Ik geef U mijn plannen,
ik geef U mijn tijd.
Ik verlang ernaar dat U mij
op al mijn wegen leidt.

Ik wil leven naar Uw wil,
ik wil leven naar Uw woord.
Het is mijn antwoord op Uw handen,
die voor mij werden doorboord.

Ik wil gaan waar U mij zend,
ik wil doen wat U mij vraagt.
Het is mijn antwoord op Uw liefde,
die mij door dit leven draagt.

Ik geef U mijzelf,
U ben ik toegewijd.
Werk Uw wil uit in mijn leven
tot ik kom in Uw eeuwigheid.

- Amen -


Gods rijke zegen voor de komende week
en een liefdevolle groet,




maandag 30 juni 2014

Week 27 - Smachten naar God (2)
Ik heb gewoon geen dorst

Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
HSV

Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar u, o God.
NBV

Psalm 42:2


Heer, ik wil U zoeken iedere dag opnieuw,
opdat mijn hart en ziel zich in U zullen verblijden.
Ik wil U blijven zoeken, ook als het moeilijk is;
laat Uw woord mij toch op al mijn wegen leiden.


Met het nadenken over dit thema, werd ik afgelopen week ook ergens anders bij bepaald.
Enige tijd geleden was ik eens bij mijn moeder en we kwamen zo op het onderwerp drinken.
Ik zat aan een glaasje water en vertelde haar dat ik mijzelf er weer toe had aangezet om netjes minstens 1 liter water per dag te drinken (naast koffie, thee, etc.), want het gebeurde steeds vaker dat ik er ’s avonds achter kwam, dat ik overdag toch weer te weinig gedronken had.
Ik hoor haar op een gegeven moment nog zeggen: ‘Ja, maar ik heb gewoon geen dorst’.
‘Nou,’ zei ik, ‘ik ook niet, maar ik heb weleens ergens gelezen, of gehoord, dat als we dorst krijgen, het eigenlijk te laat is om te beginnen met drinken.’
Drinken moeten we dus eigenlijk doen om te voorkomen dat we dorst krijgen of uitgedroogd raken.

Dorst is een lichamelijke reactie op gebrek aan vocht; het is behoefte hebben aan drinken, maar ook een hevig of sterk verlangen, of hunkering.
De sporters onder ons kennen dit gevoel van (ontzettende) dorst vast wel heel erg goed.
Grote inspanning is één van de oorzaken waardoor wij erge dorst kunnen krijgen.
Bepaalde ziekten veroorzaken ook dorst, maar ook simpelweg te weinig drinken of door te lang wachten met drinken ontstaat dorst.
En dat laatste, vaak voortkomend uit de opmerking zoals van mijn moeder ‘ik heb gewoon geen dorst’, triggerde mij.
Deze woorden ‘ik heb gewoon geen dorst’ brachten mijn gedachten naar Gods woord.

Ik heb gewoon geen dorst …
Ik drink pas als ik dorst heb/krijg …
Zoals het lichaam reageert met dorst omdat het niet genoeg vocht krijgt, reageert onze ziel op een tekort aan geestelijk voedsel.
Als we maar wachten en wachten met het lezen van Gods woord, niet regelmatig Zijn woord tot ons nemen, verdroogt en verdort onze ziel, en ook dat heeft, net als niet genoeg drinken, gevolgen.
We hebben gezien dat dorst verschillende oorzaken kan hebben, en ik bedacht me zo dat dan eigenlijk ook de dorheid en droogte van ziel verschillende oorzaken kan hebben, waaronder dus ook onze ‘ik heb gewoon geen dorst’, oftewel ‘ik heb gewoon geen tijd, geen behoefte, geen zin, geen verlangen om Zijn woord te lezen.

Als we pas gaan drinken omdat we dorst hebben, moeten we eerst het tekort aanvullen voordat we weer enige reserve hebben opgebouwd, en duurt het dus veel langer om weer versterkt en verkwikt verder te kunnen.
En als we niet oppassen, bijvoorbeeld in tijden van een hittegolf, dan drogen we zo uit en ontstaan er allerlei klachten als: je slap voelen, duizeligheid, hoofdpijn, je wordt sloom en suf, misselijk, er volgt controle verlies, vaat- en spierkrampen, ingezonken ogen, stem verlies en uiteindelijk kun je zelfs bewusteloos raken.
Een hele lijst met allerlei klachten en als ik dit alles door ga trekken naar ons geestelijk leven, dan zie je dat daar eigenlijk in grote lijnen hetzelfde gebeurt.

Je niet regelmatig voeden met Gods woord betekent ook dat er een tekort ontstaat.
En wat als er dan mindere tijden aanbreken, er beproevingen of verzoekingen komen, er een woestijnperiode aanbreekt?
Zonder geestelijk voedsel zullen we slap worden, niet goed instaat zijn om aanvallen van ons af te slaan.
We zullen heen en weer geslingerd worden, niet goed weten welke kant we op moeten gaan.
Het kan ons zelfs echte hoofdpijn bezorgen of ons misselijk maken, omdat we niet goed meer weten wat te doen.
We gaan slecht slapen van de vele zorgen, onze ogen krijgen donkere kringen.
Onze stem klinkt steeds zachter en zachter; de kracht en autoriteit in onze stem verdwijnt.
En als we niet oppassen belanden we in een isolement, een verlaten gebied waarin God niet lijkt te zijn en de weg naar Hem terug onvindbaar.

Ik heb gewoon geen dorst.
Het was maar een gewoon zinnetje, een uitleg waarom ze niet meer dronk dan ze deed,
maar het kwam terug in mijn gedachten toen ik vorige week aan het nadenken was over het hert dat schreeuwde naar water, over David, die zo wanhopig verlangde naar God, naar Zijn aanwezigheid.
Davids dorst kwam voort uit het opgejaagd worden door Saul; hij werd verdreven naar de woestijn, ver weg van Gods tempel. (1 Sam. 23:14-28)
De reden van zijn dorst had een andere oorzaak, maar de gevolgen waren bijna hetzelfde, alleen met dit verschil, David bleef God zoeken.
In Psalm 63 schrijft hij:
‘God, U bent mijn God, U blijf ik zoeken.
Met lichaam en ziel verlang ik naar U, ik smacht naar U zoals droog en dorstig land naar water.
Daarom ging ik naar Uw tempel, om U te zien, om te zien hoe machtig U bent, hoe grootst.
Uw liefde is meer waard dan het leven, …

Naar U strek ik mijn handen uit, Uw naam zal op mijn lippen zijn.'


Wat hunkerde David naar God.
Wat was hij zich bewust van wie God is en wat miste hij het om in Gods aanwezigheid, in de tempel te kunnen komen, om te zien en te horen van Zijn grootheid en Zijn macht.
Hij voelde zich als een hert dat schreeuwt om water, als droog en dorstig land.

Drinken van het levende water, ons voeden met Zijn woord is van levensbelang, net als ons gewone voedsel en drinken.
Het laat ons zien wie God is; het vertelt van Zijn macht, Zijn majesteit en Zijn heerlijkheid.
Het geeft ons Zijn leefregels, Zijn richtlijnen; het toont ons de wegen die God wil dat wij gaan.

‘Zijn woord is een lamp voor onze voet en een licht op mijn pad.’
Psalm 119:105

Het laat zien wat Hem vreugde schenkt en wat Hem verdriet doet; het vertelt ons wat goed is en niet.
Het onderwijst ons, geeft ons handvatten, is een houvast en leidraad voor elke dag.
Het is vol bemoedigen en vol woorden van troost.
Het maakt ons sterk en krachtig, maakt ons weerbaar.
Het bevat eigenlijk gewoon alles wat we nodig hebben.
God heeft het ons ook gegeven als onderdeel van de wapenrusting.

'…,en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord, …’
Efeze 6:17

We hebben Gods woord dus ook heel hard nodig om te kunnen strijden en vechten: ‘Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.’
(Efeze 6:12)
De Here Jezus gaf ons het voorbeeld toen Hij door de duivel werd verzocht in de woestijn. (Mattheüs 4:1-11)
En Hebreeën 4:12a zegt over Gods woord: ‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, …’


 David hield van Gods woord.
Hij had geen Bijbel zoals wij, maar wat hij had, koesterde hij, hield hij dicht aan zijn hart; bewaarde het in zijn hart.
In de manier waarop hij over Gods woord spreekt, ligt zoveel liefde, zoveel hartstocht; laat hij zien hoe kostbaar dit woord is, hoe waardevol, dat het ons eigenlijk zou moeten aansporen om zo met Gods woord bezig te zijn, dat Gods woord net zo voor ons wordt als het voor hem was.

'De wet van de HEERE is volmaakt,
zij bekeert de ziel;
de getuigenis van de HEERE is betrouwbaar,
zij geeft de eenvoudige wijsheid.
De bevelen van de HEERE zijn recht,
zij verblijden het hart;
het gebod van de HEERE is zuiver,
het verlicht de ogen.
De vreze des HEEREN is rein,
zij houdt voor eeuwig stand;
de bepalingen van de HEERE zijn waarachtig,
met elkaar zijn zij rechtvaardig.
Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en  zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.'
Psalm 19:8-11

'Gods weg is volmaakt,
het woord van de HEERE is gelouterd,
Hij is een schild voor allen die tot Hem de toevlucht nemen.'
Psalm 18:31

'Ik zoek U met heel mijn hart,
laat mij van Uw geboden niet afdwalen.
Ik heb Uw belofte in mijn hart opgeborgen,
opdat ik tegen U niet zondig.
Geloofd zij U, HEERE,
leer mij Uw verordeningen.'

'Mijn ziel wordt verteerd van verlangen
naar Uw bepalingen, te allen tijde.'
Psalm 119:10-12;20


Lieve Vader in de hemel, soms hebben we gewoon ‘geen dorst’ en wachten we met drinken tot dat we dorst krijgen, en ik realiseer mij Vader, dat het dorst krijgen op deze wijze niet echt slim is.
Wat doen we U en onszelf enorm tekort.
Doe ons beseffen, Vader, dat we Uw woord nodig hebben net als ons dagelijkse voedsel.
Ja, we kunnen een bepaalde tijd zonder eten en/of drinken, maar de gevolgen blijven niet uit en kunnen op den duur zelfs dodelijk zijn.
Zo is het ook met Uw woord, Vader, als we dit niet dagelijks tot ons nemen, we niet dagelijks komen eten en drinken bij U.
Maak ons hart hongerig en dorstig naar U; bewerk ons hart door Uw Geest.
Laat er een goede honger en dorst naar U komen in ons hart; U staat immers klaar om ons te verzadigen.
Laat ons hart, onze ziel zijn, als een hert dat schreeuwt naar water, omdat we verlangen naar meer en meer van U; meer en meer van U te leren, meer en meer van U te ontvangen, meer en meer en meer naar U te verlangen.
Laat het ik heb gewoon geen dorst’ veranderen in ‘dorst of geen dorst, ik drink, want ik kan niet zonder’.
Laat ons, laat mij zijn,  als dit smachtende, naar water schreeuwende hert …

In Jezus’ Naam.

- Amen -


Uw woord is …

Heer, Uw woord toont ons wie U bent.
Vertelt ons van Uw grootheid en heerlijkheid.
Laat ons zien, welk een machtig God U bent,
Die dagelijks met en voor ons strijdt.

Uw woord is voedsel voor onze ziel
en wijst ons de weg naar het leven.
Uw woord is echter ook een wapen
door Uzelf aan ons gegeven.

Heer, Uw woord is ook vol troost en bemoediging,
laat ons zien waar wij schuilen mogen.
Laat ons zien hoe vol liefde U bent;
betrokken, ontfermend en bewogen.

Uw woord, Heer, is levend, krachtig en zuiver,
heeft de toets van het leven doorstaan.
Uw woord is rechtvaardig, ja, volmaakt,
het beste richtsnoer voor ons aardse bestaan.


zondag 11 mei 2014

Week 20 - Van alle markten thuis

Geef haar van de vrucht van haar handen
en laten haar werken haar prijzen in de poorten.
HSV

Moge zij de vruchten plukken van haar werk,
mogen haar daden worden geprezen in de poorten.
NBV

Spreuken 31:31

Er is al heel wat geschreven over de vrouw uit Spreuken 31, dat valt nog eens extra op als je op Google Spreuken 31 intypt.
En er wordt soms toch ook wel heel verschillend naar dit Bijbelgedeelte gekeken.
Maar ook merk ik dat het verschillend bij mensen binnenkomt.
De één wordt er blij van, een ander put er kracht uit, en ikzelf raak er eerder gefrustreerd van, omdat ik al lezende me meer en meer tekort voel schieten en het gevoel heb nooit bij machte te zijn om te worden zoals deze vrouw.

De overdenking op mijn Stille Tijd-kalender (Mijn moment met God) beziet het als een ideaalplaatje dat geschetst wordt; als iets waar vrouwen en mannen naar mogen streven en verlangen.

Hieronder nog een paar citaten uit deze overdenking:
‘…
Ze deed niet alles zelf, maar zorgde ervoor dat het gebeurde.

Het gaat om de ijverige houding, de werklust, het inzicht en de dankbaarheid.

En in de allereerste plaats om haar geestelijk leven – een vrouw met ontzag voor de Heer, die is te prijzen!

Je kunt veel als vrouw.
Je hebt veel in je mars.
Maar om het ook vol te houden, is het belangrijk dat je jezelf kent, je mogelijkheden en je beperkingen, en dat je voor jezelf zorgt, voor je lichaam, je ziel en je geest.’

Vervolgens komen er ter afsluiting een aantal persoonlijk gerichte vragen die je doen nadenken over dit alles.
Ik merk dat ik met dit thema en het hoofdstuk uit Spreuken twee kanten op kan.
Ik kan me te neer laten drukken door de frustraties die opkomen als ik dit alles lees of ik richt me op waar ik wel wat aan kan doen en waarvan ik weet dat dat ook het belangrijkste is en van waaruit al het andere haar oorsprong vind.
Nee, ik ben niet van alle markten thuis, in het geheel niet, maar het is wel mijn diepste verlangen om een vrouw naar Gods hart te zijn, een vrouw die leeft in diep ontzag voor de Heer, een vrouw die Hem vreest.
En aangezien dat het belangrijkste is, ga ik op zoek in Gods woord naar wat ‘ontzag voor de Heer’ nu eigenlijk wil zeggen.


Welzalig is een ieder die de HEERE vreest, die in Zijn wegen gaat.
Psalm 128:1

De definitie die gegeven wordt voor het woordje ontzag is: ‘gevoel voor iemand die je waardeert en bewondert’.
Persoonlijk ‘voel’ ik een andere dimensie nog bij dit woord, ik kan het niet goed omschrijven, maar voor mijn gevoel gaat ontzag hebben dieper dan waarderen en bewonderen.
Vooral naar God toe creëert dit woord voor mij een ‘heilige afstand’.
Niet in de zin van onbereikbaar, maar van erkenning van Hij is de Grootste, de Meeste, de Meerdere.
Het is een diep geworteld gevoel, waar vroeger angst de boventoon voerde, maar nu een diepe, eerbiedige liefde, die mij mijn knieën en hoofd doet buigen.

Terwijl ik dit schrijf, herlees en de woorden tot mezelf laat doordringen, komt de gedachte in mij op, dat het precies is als het Oude en Nieuwe testament, het Oude en Nieuwe Verbond.
Was ontzag voor God in het Oude Testament, onder het Oude Verbond gekoppeld aan angst, in het Nieuwe Testament, het Nieuwe Verbond is het gekoppeld aan liefde, omdat de Here Jezus is gekomen en door Zijn volbrachte werk de weg tot God heeft vrijgemaakt; we mogen Hem nu zelfs ‘Abba – Vader’ noemen.
Maar eerbied en diep respect, verering en aanbidding zijn en blijven daaraan onlosmakend verbonden.
De God van het Oude Testament, het Oude Verbond, is dezelfde God als in het Nieuwe Testament, het Nieuwe Verbond.
God blijft God, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde, de Allerhoogste en niet ons vriendje waar we mee knikkeren.

De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis,
dwazen verachten wijsheid en vermaning.
Spr. 1:7

Mijn zoon, als je mijn woorden aanneemt, en mijn geboden bij je opbergt,
om je oor acht te doen slaan op de wijsheid, 
als je je hart neigt naar het inzicht, 
ja, als je roept om het verstand, 
je stem laat klinken om inzicht, als je het zoekt als zilver,
het naspeurt als verborgen schatten,
dan zul je de vreze des HEEREN begrijpen, 
de kennis van God vinden.
Spr. 2:1-5

Ontzag voor God is de grondslag van alle kennis, van alle wijsheid, maar om echt te begrijpen wat ontzag voor God werkelijk betekent, is wijsheid en inzicht nodig.
Het begint met het erkennen en belijden dat God de Allerhoogste is, de Schepper van hemel en aarde, de Almachtige en het houdt in dat we vervolgens luisteren naar wat Hij ons heeft te zeggen, Hem gehoorzamen, Zijn  wil zoeken en doen.
Het houdt in dat we tijd apart zetten om Zijn woord te lezen, om te bidden.
Het betekent dat we er moeite voor zullen doen, het mag ons wat kosten.
Het zoeken naar en het opgraven van een schat heeft heel wat voeten in de aarde, is niet iets wat in één dag gebeurt.
Kijk of lees maar eens wat er niet aan vooraf gaat, wat er voor nodig is, hoeveel het wel niet kost, zowel financieel als aan energie (misschien is de uitdrukking met bloed, zweet en tranen hier wel op zijn plaats).
Hoeveel te meer zouden wij, als Zijn kinderen, dan niet bereid moeten zijn om te groeien in wijsheid en inzicht, ten einde Hem steeds meer en beter te leren kennen, om te begrijpen wat Hij ons wilt leren.
Hij heeft ons immers geschapen om Hem te eren en te aanbidden, te dienen en groot te maken!

En het bijzondere is dat God, in Wie alle wijsheid, kennis en inzicht is, ons daarvan ook wilt geven:
Spr. 2:6 en Jac. 1:5:

De HEERE geeft immers wijsheid, uit Zijn mond komen kennis en inzicht.

En als iemand van u in wijsheid tekortschiet, laat hij die dan vragen aan God, Die aan ieder overvloedig geeft en geen verwijten maakt, en ze zal hem gegeven worden.

We hoeven er slechts om te vragen en Hij zal overvloedig geven, hoe bijzonder; om stil van te worden.
Is dat ons verlangen, is dat waar ons hart naar verlangt en ons leven op gericht is?

De vreze des HEEREN (ontzag voor de Heer) is een bron van leven …
Spreuken 14:27a

Ik vind het heel mooi wat de Matthew Henri hierover zegt:
‘De vreze des Heren wordt hier aangeduid als het belangrijkste principe waarop alle andere principes gestoeld zijn. Waar dit principe wordt gehuldigd, heerst een rustige, kalmte van geest. Het stelt de mens in staat vast te houden aan zijn evenwichtige levenswijze en het geeft hem vrijmoedigheid voor God en de mensen.
Het is een overvloeiende en altijdvloeiende bron van troost en blijdschap. Het is het beste tegengif tegen zonden en verzoekingen.’

Deze woorden van Matthew Henri brengen mij vervolgens weer terug bij waar ik begon, bij de vrouw uit Spreuken 31.
Want zij is een vrouw die leeft vanuit dit principe.
Haar rustige, kalme geest spreekt uit alles wat zij doet.
Evenwichtig is haar levenswijze en vrijmoedig haar handel en wandel.
Ze biedt troost aan wie het nodig heeft en deelt uit van haar blijdschap; standvastig is haar geest.
Het is een vrouw die weet wie zij is; een vrouw die werkelijk haar identiteit in Christus gevonden heeft en van daaruit leeft.
En als ik deze dingen zo op een rijtje zet, en overdenk, dan komt er ook vreugde en blijdschap in mijn hart.
Het betekent niet dat ik haar zal evenaren in alles, maar wel dat ik kan uitgroeien tot de vrouw zoals God mij bedoeld heeft te zijn met mijn eigen gaven en talenten, mogelijkheden en beperkingen.
En mijn verlangen is alleen maar groter geworden om zo’n vrouw te zijn, te worden; een vrouw naar Zijn hart, een vrouw die leeft in diep ontzag voor Hem.


Lieve Vader in de hemel, met een hart vol ontzag voor wie U bent, kom ik bij U om U te danken, te loven en te prijzen.
Wat hebt U een geduld met mij!
Wat moet U toch veel van mij houden, dat U niet opgeeft en mij blijft onderwijzen.
Hetzelfde misschien wel honderdduizend keer zegt, net zolang totdat ik het begrijp of kan pakken.
Dank U wel, voor Uw liefde en trouw!
Dank U wel, voor Uw woord!
Dank U wel, voor wie U bent!
Ik buig mij voor U neer, in diep en heilig ontzag en ik prijs Uw grote naam.
Halleluja!

- Amen –


In ontzag voor U ...

In ontzag voor U, Heer,
ligt alles verborgen.
Eerbied,
achting en respect,
verering
en aanbidding.
Levend’ in ontzag voor U, Heer,
heeft U de hoogste plaats
gister, vandaag en morgen.

In ontzag voor U, Heer,
ligt alles verborgen.
Alle wijsheid,
kennis en inzicht,
een sterke
en standvastige geest.
Levend’ in ontzag voor U, Heer,
kunnen we blijmoedig uitzien,
wetend: U zal voor ons zorgen.

In ontzag voor U, Heer,
ligt alles verborgen.
Al onze kracht,
onze vreugde en blijdschap,
vrijmoedigheid
en troost.
Levend’ in ontzag voor U, Heer,
mogen we ons veilig weten
en geborgen.


Gods rijke zegen voor de komende week
en een liefdevolle groet,




Bevalligheid is bedrieglijk en schoonheid vergankelijk,
een vrouw die de HEERE vreest, die zal geprezen worden.
Spreuken 31:30

Wie in zijn oprechtheid wandelt, vreest de HEERE,
maar wie van zijn wegen afwijkt, veracht Hem.
Spreuken 14:2

In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen,
en voor Zijn kinderen zal Hij een toevlucht zijn.
Spreuken 2:26

Zoals een vader zich ontfermt over zijn kinderen, 
zo ontfermt de HEERE Zich over wie Hem vrezen.
Psalm 103:13

Dan spreken zij die de HEERE vrezen,
ieder tot zijn naaste:
De HEERE slaat er acht op en luistert.
Er is een gedenkboek geschreven voor Zijn aangezicht,
voor wie de HEERE vrezen en wie Zijn Naam hoogachten.
Maleachi 3:16

Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken?
Immers, U alleen bent heilig.
Want alle volken zullen komen en U aanbidden, want Uw oordelen zijn openbaar geworden.
Openbaring 15:4